De eerste prille sporen van brandbestrijding in onze gemeente vonden wij in het verslag van de buitengewone zitting van de Municipale Raad van 1 mei 1810. De toenmalige burgemeester Jan De Becker was van mening "dat de aankoop van een brandspuit zeer nuttig en zelf noodzakelijk zou zijn voor de bestrijding van grote branden". Een tweedehandse spuit werd gekocht voor 500 BEF.

Tijdens de Hollandse periode werd het gemeentebestuur door de provinciale overheid herhaaldelijk aangemaand om zich materiaal voor brandbestrijding aan te schaffen. Een spuit werd gekocht in 1819. Een brandweerkorps bestond nog niet. De brandspuit stond ter beschikking van wie ze nodig had.

Met een brief van 7 december 1844 meldde het Genootschap de Vier Gekroonde aan de burgemeester dat ze "andermael is ingericht" en verklaarde het zich bereid "tot de exersitie en het gebruyk der Brandspuyt". Het genootschap vroeg er een vergoeding voor aan het gemeentebestuur, die zij waarschijnlijk niet kregen. Een inventaris uit 1845 geeft volgende opsomming "van voorwerpen voor de hulpdienst in geval brand: 1 spuit, 1 pomp, 100 emmers, 2 ladders van 11 meter, 2 ladders van 5,50m. en 2 haken". Bij het blussen werd gebruik gemaakt van emmers en "brandkorfkens", die van hand tot hand werden doorgegeven. In 1861 koste een "emmerken" veertig centiemen. Een zekere P.Boel wilde "brandkorfkens maeken aen vijftig santimen per korf."

pompwerken

Na een hevige brand, die "I'établissement de Mme Veuve Van den Bril" (een "moulin a vapeur") had vernietigd, feliciteerde de gouverneur van de provincie "Les organisateurs des secours et ceux qui les ont dirigés dans leurs efforts", maar berispte het gemeentebestuur voor het gebrekkige materieel dat ter beschikking was (brief van 26 september 1864). Hij wenste te vernemen welke gevolgen aan zijn schrijven zouden gegeven worden.

Op 20 juni 1867 vergaderde een pompierkorps. Er waren 21 aanwezigen. Op 28 juni 1867 verstuurde een voorlopige commissie een brief aan 16 leden om bestuurders te kiezen. Bevelhebber werd Joseph Van Reeth.

In mei 1870 werd de Brandweer van Noeveren gesticht met als kapitein-bevelhebber de maalder G. Van Der Cruysen, zodat er vanaf dan twee korpsen bestonden. Het oudste werd Brandweer van het Dorp gedoopt. In 1871 schonk het gemeentebestuur een pomp aan het korps van Noeveren, maar in zijn dankbrief meldde de voorzitter G. Van Der Cruysen "dat het bouwen van 't lokaal dezer spuit is zoo kostelyk geweest dat de zelfopofferingen der inwooners van ons gehucht niet voldoende zijn".

Voor het bouwen van 't Lokaal der Brandspuit van Noeveren had men met een inschrijvingslijst 178 BEF omgehaald en dat was klaarblijkelijk niet genoeg om de kosten te dekken. De brandwacht vroeg aan het gemeentebestuur om "de ouden paardenstal der oude gendarmerie" in een oefenschool te veranderen (GR 20 juni 1878).

Het gemeentebestuur meldde met een brief van 10 februari 1881 aan de gouverneur "dat in 1867de gemeenteraad een pompierkorps had opgericht; dat het korps in 1881 69 leden telde; dat er 3 pompen waren en dat tussen 16 augustus 1876 en 23 juni 1880 zich 19 schadegevallen hadden voorgedaan".

De twee korpsen werden door de gemeente betoelaagd met ieder eenjaarlijkse som van 1 00 BEF. Dat was onvoldoende, want in een brief van 20 september 1883, ondertekend door al de pompiers van Boom en Noeveren, werd geschreven "dat zij in hun bestaan bedreigd waren door gebrek aan middelen". In een tweede gezamenlijk schrijven van 14 oktober 1883 werd gesteld dat "de brandrampen welke een verteer en veel sleet aan onze klederen mede brengen" niet begrepen zijn in de kosten die 825 BEF bedroegen, "En dan na een jaar arbeid hebben wij voor onze zelfopofferingen een klein of Simpel Soupeke", besloot de brief. Aan dit laatste argument kon de gemeenteraad niet voorbij. In zitting van 12 november 1883 werd aan elk korps 250 BEF toegewezen.

In 1886 werd door de gemeenteraad een bijkrediet van 1200 BEF gestemd om blusmateriaal (tuig en een lange darm) aan te kopen en om "de nodige gevorderde veranderingen" aan het lokaal te doen.

De gemeenteraad van 16 maart 1896 stemde een reglement op de Brandspuiten. Het voorzag dat "de dienst der brandspuiten van de gemeente wordt toevertrouwd aan twee vrijwilligersmaatschappijen, hunnen zetel hebbende in het Centrum en te Noeveren, en welke in alles onder toezicht staan van het Schepencollege". Elk korps zou bestaan uit, veertig leden. In geval van brand zou de trompetter één ronde doen in de gemeente en éénmaal per maand - telkens op een zondag- zou geoefend worden. Op dat ogenblik telde de Brandweer van het Dorp 33 en de Brandweer van Noeveren 53 vrijwilligers.

Door de vele nieuwe industrieën was het brandgevaar zeer acuut geworden. Het Handelsblad van 1/4/1897 maakte melding van een hevige brand bij boer Aerts op de Krekelenberg, waar de schuur afbrandde. "De hoornen onzer pompierkorpsen blaasden doorgansch de gemeente het alarm". Langs alle kanten zag men de pompiers toe snellen en de spuiten van het Dorp en het gehucht Noeveren, kwamen spoedig en bijna tegelijkertijd ter plaatse.

bijeenkomstHet was de eerste maal dat onze nieuwe pompierkorpsen eenen brand hadden te bestrijden, en zij hebben bewezen volkomen op de hoogte hunner taak te zijn. De brandweerlieden ontvingen geen enkele vergoeding en hadden zelfs geen uniform. Ze gingen blussen in hun eigen kleren.

Na de eeuwwisseling hadden de Boomse brandweerlieden nog altijd geen uniform. Op een congres te Wilrijk in 1901, waarop alle korpsen van de provincie Antwerpen aanwezig waren (14 werden bij naam genoemd), was "Boom het eenige welke niet in gelijkvormige kleedij aan deze feesten heeft deelgenomen", schreef de kapitein-bevelhebber Van den Neucker. Zijn vraag om kledij werd op de lange baan geschoven. Drie jaar later nam de bevelhebber zelfde teugels in handen. Hij vroeg prijs aan enkele firma's en meldde de beste bieder aan het schepencollege:

"Kleerstof, knoppen, maken en

fatsoen van de Tuniek 20,90
Epaulières 0,60
Ceinturen met plaque 2,00
Jambieres (getten) 2,50
26,00 BEF"

Hij voegde eraan toe dat elk lid zich op eigen kosten een zwarte laken broek zou aanschaffen en dat het medelid Jan Verhagen, kleermaker, de tunieken zou maken voor de voordeligste prijs. Toen het schepencollege het maken niet wilde toevertrouwen aan de vrijwilliger Verhagen, gaf dit aanleiding tot het politiseren van de zaak. "Dan moet men maar aan alle katholieke kleermakers prijs vragen", schreef Charel Van Assche in een boze brief aan het gemeentebestuur.

In november 1905 kregen de leden van het korps van Noeveren een kepie, maar van uniformen was nog steeds geen spraak.

In 1910 meldde het gemeentebestuur aan de gouverneur dat het pompierkorps uit 36 leden bestond, waarvan 5 officieren. Victor Van den Neucker was kapitein - bevelhebber. Het korps van Noeveren telde 39 leden, waaronder 7 officieren. J. Dierckx was er kapitein.

brandjeDe pompiers hadden het niet onder de markt. Geregeld brandde het in één van de vele fabrieken. De molens van Rypens waren een vaste klant. In 1904 en in 1908 had het er al gebrand in de oliemolen. Tussen 8 en 9 oktober 1912 ging de bloemmolen volledig in de vlammen op.

Door een koninklijk besluit van 15 maart 1935 werd de organisatie van de brandweerdiensten landelijk geregeld. Elke gemeente moest over een korps beschikken. Boom telde er, zoals gezegd, twee en de verstandhouding was verdwenen door de onderlinge naijver die er heerste.

De Gemeentelijke Vrijwillige Brandweer van Boom werd opgericht en de gemeentesecretaris Gombert werd kapitein-bevelhebber. Brandweer van Noeveren pruttelde nog wat tegen, zodat geen enkel lid ervan in 1937 werd voorgedragen voor een graad (brief van 9 april 1937). De brandweer vond een onderkomen in de gemeentemagazijnen in de Vrijheidshoek. Tot dan toe waren de brandweerkorpsen maar krenterig bejegend door het gemeentebestuur. Met de gemeentesecretaris aan het hoofd kon ineens alles. Men kocht degelijk materiaal, stelde drie klaroenblazers aan en installeerde, verspreid over de hele gemeente, vijf brandmelders. Het inslaan van het ruitje zette een sirene in werking, die gedurende 35 seconden alarm blies. In 1937 werd een overeenkomst van onderlinge brandweerhulp gesloten tussen 16 gemeenten, gelegen in Klein-Brabant, het Vaartland en de Rupelstreek.

ford oldtimerDe gemeente Boom werd erkend als hoofd van deze gewestelijke groep. Intussen waren de bevoegdheden van de brandweer zeer verscheiden geworden, want ook bij overstromingen, stormen, verkeersongevallen, enz.. werd op de brandweer beroep gedaan.

Gombert, die intussen gewestelijke bevelhebber was geworden, werd secretaris-generaal van de Belgische Brandweerfederatie. Op gronden van de vroegere gasfabriek in de Gasstraat werd in 1957 een brandweerkazeme gebouwd. De ligging ervan in het centrum was niet bepaald ideaal. Vrij vlug voldeed ze niet meer aan de hedendaagse eisen die werden gesteld op het gebied van de veiligheid. In 1968 reorganiseerde de gouverneur van de provincie Antwerpen de brandweerdiensten. Boom werd hoofd van het Gewestelijk Groepcentrum Z en bediende alle gemeenten van de Rupelstreek, plus Aartselaar en Waarloos. Met een besluit van 23 december 1977 wijzigde de gouverneur zijn beslissing. Boom bleef wel het centrum van de gewestelijke groep Z over een gebied dat volgende gemeenten bevat: Aartselaar, Boom, Niel, Rumst en Schelle (Jaarverslag schepencollege).

Tussen de gemeenten Boom, Willebroek en Londerzeel werd een wederkerige overeenkomst van kosteloze brandweerbijstand afgesloten (GR 15 maart 1984). Bij het bestrijden van een ramp is vakbekwaamheid van de officieren en manschappen vereist. Daarom wordt er onderricht verstrekt en wordt er wekelijks geoefend. Maar even noodzakelijk is het creëren van een goede groepsgeest. De onderlinge samenhorigheid van de vrijwilligers, die tegen een luttele vergoeding soms het eigen leven riskeren om medeburgers te redden, is bijgevolg een zeer belangrijke factor.

Het Boomse brandweerkorps, dat vier pelotons bevat, smeedt de vriendschapsbanden in het ontspanningslokaal en via de sport. De oudere brandweerlieden zijn verenigd in een vriendenkring "Oudgedienden" en blijven welkom. Ook wordt de nodige aandacht besteed aan de rekrutering van nieuwe krachten. Daarom werd enkele jaren terug een "Jeugdbrandweer Boom", dat momenteel een twintigtal leden telt waaronder enkele meisjes, in het leven geroepen. Op 21 juni 1996 werd, op het industriegebied Krekelenberg, een nieuw, efficiënt brandweerstation ingehuldigd.



Bron: boek BOOM van oudheid tot het jaar 2000 Alex Vinck